JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

KERKGESCHIEDENIS.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKGESCHIEDENIS.

§ 4. De heidenwereld rondom het eerste Christendom.

5 minuten leestijd

Bij de behandeling van de heidenwereld, waarin het zaad des Evangelies zou worden uitgestrooid, moeten wij waken voor bepaalde gevaren. Men gebruikt vaak, wanneer men over dezen tijd spreekt, de termen „volheid des tijds" en „adventstijd der heidenwereld", maar dat moet men toch met groote voorzichtigheid doen! De gedachte moet niet bij ons postvatten, dat er in dezen tijd een bijzondere ontvankelijkheid zou bestaan hebben voor de blijde boodschap van genade en zaligheid. Want dat is allerminst waar! Wij moeten altijd vasthouden, dat God ons niet anders, dan door Zijn Woord, ontvankelijk maakt voor Zijn Woord. God bindt zich altijd aan Zijn Woord. En geen enkele omstandigheid zal ons ooit nader tot Christus brengen. Wij moeten niets van Hem hebben en dat zal niet veranderen, tenzij God door een almachtige daad ons hart vernieuwt.

Wèl kunnen we zeggen, dat verschillende factoren op politiek, maatschappelijk en godsdienstig gebied, bijzonder gunstig zijn geweest voor de snelle uitbreiding van het Christendom, als we maar nooit eenige kracht aan die omstandigheden toeschrijven. 't Is en blijft een almachtige, wonderlijke, rechtstreeksche daad Gods, die Hij ook zonder die gunstige omstandigheden had kunnen volbrengen.

Die heidenwereld was het Romeinsche rijk. Dat rijk besloeg heel de toenmaals bekende wereld en het strekte zich uit van Spanje in het Westen tot de Eufraat in het Oosten en Van Groot Brittannië, Rijn en Donau in het Noorden tot Ethiopië in het Zuiden. Al de verschillende landen, die in dit gebied lagen, waren door de Romeinsche legioenen overwonnen en ingelijfd bij het rijk. Aan het hoofd stond de keizer, die als 't ware de eenheid van al die verschillende rijksdeelen vertegenwoordigde.

Nu moeten wij ons die eenheid niet zoo volkomen denken, als b.v. die van de Vereenigde Staten van Amerika. Het was onmogelijk, dat al de verschillende rassen, volken en naties geheel werden opgenomen in het ééne, groote rijk. Er waren verschillende volken, die fanatiek vasthielden aan hun nationale eigenaardigheden. Vooral de Joden hebben zich met hand en tand verzet tegen allerlei vreemde, uitheemsche invloeden. Het Oostelijk en het Westelijk gedeelte van het rijk hebben elkaar nooit volledig kunnen begrijpen. Nooit zijn ze ineengesmolten tot een hechte eenheid. Daarvoor was de kloof tusschen Oosterling en Westerling te breed en te diep.

Toch had overigens een steeds meer toenemende verbroedering en vereeniging plaats. Daaraan werkte het feit mee, dat de Romeinen voor eenheid van staatsvorm, rechtswezen en cultuur zorgden. Het rijk werd verdeeld in provincies en aan het hoofd daarvan stonden stadhouders, die in alle belangrijke rechtszaken moesten geraadpleegd worden. Ook legden de Romeinsche legioenen overal uitstekende wegen aan, die het onderlinge handelsverkeer bevorderden en zoo ook tot steeds grooter eenheid meewerkten. De gemeenschappelijke taal, het Grieksch, en de alom heerschende rust en welvaart, hebben ook het hunne tot de rijkseenheid bijgedragen.

In dat groote rijk met al zijn verschillende volkeren, heerschten ook de meest uiteenloopende godsdiensten. In het Westelijk gedeelte huldigde men het veelgodendom, maar in het Oosten kende men over 't algemeen maar één god, met verschillende geesten en demonen als nevenfiguren. Maar bij het begin van onze jaartelling, dus omstreeks Christus' geboorte had daarin toch een kentering plaats. De eigen staatsgoden verloren langzamerhand hun beteekenis, omdat ook de staatsgrenzen waren weggevallen. Het was n.1. de algemeene opvatting, dat de nationale goden buiten de landsgrenzen geen macht hadden, kwam men in een vreemd land, dan had men ook met andere goden te doen. Maar nu alle landen één geworden waren, bracht dit een geheel nieuw en vreemd besef met zich mee. Heel de godsdienst kwam op wankele gronden te staan. Men gevoelde zich eenzaam en hulpeloos. En dit bracht een volkomen nieuw godsdienstig ontwaken! Er moest één god zijn, die over heel dat groote wereldrijk heerschte. En, waar de Oostersche religies maar één godheid kenden, hadden die dus veel invloed. Bovendien was er in die Oostersche religies een element, waaraan al die eenzame, hulpelooze menschen behoefte gevoelden, n.1. het verlangen naar verlossing door strenge zelftucht, onderdrukking van allerlei zinnelijke neigingen, kastijding en inwijding in geheimzinnige mysteriën. Zoo deden de Syrische Baälsdienst, de Egyptische Stier-en Zonnecultus, de Babylonische sterrenwichelarij, de Perzische magie met hun geestenbezwerende tooverformules en de Keizervereering hun intrede in de Westelijke wereld en veroverden die in korten tijd geheel. En omdat al die vreemde godsdiensten de vervulling en verlossing na dit leven zagen, en dus allemaal de weg daarheen openstelden, deed het er niet veel toe, welke soort men verkoos. Het eindpunt bleef hetzelfde.

Terwijl nu de Oostersche religies bij het gewone volk ingang vonden, was de gang van zaken bij de ontwikkelden iets anders. Daar bracht de algeheele verwildering en losheid van zeden, die wij door Paulus in Romeinen 1 geteekend vinden, een soort Humanisme: De mensch moest leven overeenkomstig zijn redelijken aanleg. Dat was waarachtig deugdzaam leven! Maar lang heeft dat niet geduurd. Dat schoone ideaal: te leven volgens de algemeene wetten der zedelijkheid, die de rede, het verstand, den mensch voorstelden, was niet gemakkelijk te bereiken. En weldra kwam men tot het inzicht, dat de zwakke, menschelijke krachten hen daartoe niet in staat konden stellen, tenzij men, door strenge kastijding en diep nadenken en genieten van de godheid, zichzelf van zijn hulp verzekerde.

Zoo hebben de heidenen voortgetobd en zich ingespannen, om zichzelf een beter leven, na dit aardsche bestaan, te verzekeren. En zij wisten den weg ter zaligheid niet. Zij kenden den wil Gods niet! Maar wij, die den weg weten, wat doen wij? Maken die heidenen ons niet beschaamd? Laten wij ons verzekeren van de waarheid van het Bijbelwoord: Die den weg geweten en niet bewandeld zullen hebben, zullen eens met dubbele slagen geslagen worden!

Laten wij toch de onschatbare gave van Gods Woord niet verachten, maar op hoogen prijs stellen!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1946

Daniel | 8 Pagina's

KERKGESCHIEDENIS.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 27 september 1946

Daniel | 8 Pagina's