JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS.

4 minuten leestijd

Correspondentie voor deze rubriek aan T. Molenaar, Leede 18, Rotterdam-Z.

P. M. te R. vraagt, hoe ik oordeel over het wandelen op Zondag.

Antwoord: Het wandelen op den dag des Heeren zie ik als een kwaad, dat meer en meer voortwoekert in ons volksleven. Vele ouders heb ik hooren klagen, dat hun kinderen 's Zondags naar voetbalvelden of andere plaatsen der ijdelheid gingen en als ik dan nader informeerde, bleek het mij, dat diezelfde kinderen met toestemming van hun ouders wel op Zondag wandelden.

Hier zit m.i.z. de fout.

Zondag is niet onze dag, maar de dag des Heeren, die gewijd aan en geheiligd moet worden in Zijn dienst.

Het heiligen van Gods dag sluit onder meer in, dat wij in afzondering van de wereld, dien dag doorbrengen in den dienst des Heeren. Hoewel ik niet blind ben voor de vele moeilijkheden in groote gezinnen, heb ik er toch ernstig bezwaar tegen, ja ik acht het in strijd met Gods Woord, om onze kinderen maar naar buiten te sturen, opdat wij er maar af zouden zijn.

Onze jongens en meisjes gaan, indien er geen dringende oorzaken zijn om thuis te blijven, naar Gods huis en naar een vereeniging, die mogelijk des Zondags vergadert en overigens blijven zij thuis, mocht het zijn om met innerlijk vermaak bezig te zijn in onderzoek van Gods Woord.

'k Zou U willen aanraden eens ernstig te lezen het antwoord op de vraag in Zondag 38: „Wat gebiedt God in het vierde gebod?"

Bovendien wil ik U verwijzen naar de vele verklaringen van onze oud-vaders over die zondagsafdeeling. Vergeet er niet op na te slaan Hoofdstuk 6 van het tweede deel van Brakels Red. Godsd. en concludeer niet te spoedig, dat mijn antwoord in strijd is met een uitdrukking in Brakel: „doch tot de verbodene zonden brengen wij niet het wandelen in 't veld of gaan in de tuinen, 't zij alleen of met anderen, om de werken Gods te aanschouwen en Hem daarin te verheerlijken."

Voelt U waar de nadruk op valt?

Immers „om Hem daarin te verheerlijken!"

Lees verder nog Calv. Inst. hoofdstuk 2, deel 1.

Ook Voetius, de Nederlandsche Puritein was in zijn strijd tegen J. Coccejus over de sabbathbeschouwing, zeer scherp, omdat C. meende, dat het vierde gebod in de N. bedeeling zijn kracht verloren had.

Ten slotte verwijs ik U nog naar de 6 conclusies van de Dordtsche Synode omtrent het 4e gebod.

Jong. Vereen, te M. vraagt hoe te denken over de daad van Bonifacius, die zich door de Friezen liet vermoorden. Had hij zich moeten verdedigen? Als hij zich in staat van verdediging had gesteld en er waren dooden gevallen, was hij dan schuldig geweest aan doodslag?

Antwoord: Inderdaad. B. heeft zich niet verdedigd. We weten van hem, dat hij beoogde in den strijd tegen het heidendom, de gestichte kerken onder het gezag van Rome's paus te brengen en dat zijn meerdere reizen naar Rome veel hebben bijgedragen tot bevordering van den Romeinschen stoel. In 23 werd hij benoemd tot bisschop en 9 jaren later tot aartsbisschop van Duitschland. Zijn hoofddoel is geweest de eenheid van de Westersche kerken en wel één Roomsche kerk. In 754 vernam B., dat in Friesland, dat mede tot zijn kerkelijk gebied behoorde, het heidendom weer driester het hoofd opstak, dat Christenen vervolgd en kerken verwoest werden. Hij snelde met zijn helpers zijn kudde tegemoet en sloeg zijn tenten op bij Dokkum. Plotseling werd hij door een bende overvallen. Hoewel hij gewapenden in zijn kamp had, zag de oude zendeling, dat verzet niet zou baten, want de overmacht was te groot.

„Vreest niet voor degenen, die alleen het lichaam dooden," vermaande hij. Het evangelieboek hoog opgeheven ontving hij den doodelijken slag.

Terwijl we B. laten rusten, komt de vraag hierop neer of het dooden van zijn naaste tot lijfsbescherming valt onder de zonde tegen het 6e gebod en dan antwoord ik, dat we schuldig zijn ons leven te bewaren en als dit geschiedt ten koste van een ander, die ons aanvalt, dan is dit de schuld van den aanvaller. Trouwens de vraagster weet, dat in de Mozaïsche wetten staat, dat indien iemand zijn naaste slaat uit zelfverdediging het hem geen bloedschuld zal zijn en dat Waldenzen, Hugenoten e.a. zich met het zwaard verdedigd hebben tegen overweldigers en dat Zwingli 11 Oct. 1531 op het slagveld te Kappel stierf.

Hiertegen kan onmogelijk aangevoerd worden de tekst uit Matth. 26:52, waar de Heere Jezus tegen Petrus zegt, dat die het zwaard nemen door het zwaard zullen vergaan. De Heere bedoelt daar alleen, dat we onze eigen rechter niet moeten wezen. Een particulier ontvangt niet het zwaard en kan zoodoende het zwaard ook niet gebruiken. Rom. 13:4 leert dat de overheid het zwaard niet tevergeefs draagt, omdat zij het heeft ontvangen en zoo noodig ook moet gebruiken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1946

Daniel | 8 Pagina's

VRAGENBUS.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 augustus 1946

Daniel | 8 Pagina's