JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS.

6 minuten leestijd

Correspondentie van deze rubriek aan T. Molenaar, Leede 18, Rotterdam-Z.

J. N. te M. vraagt: Mag een onbekeerd mensch het „Onze Vader" bidden?

Antwoord: Het „Onze Vader" is het allervolmaakste gebed. De Heere Jezus legde het op de lippen van Zijn discipelen, toen een tot Hem kwam met de bede: „Heere, leer ons bidden, gelijk ook Johannes zijn discipelen geleerd heeft."

De inhoud van het gebed wijst er op, dat Gods volk dit gebed alleen kan bidden, want het recht op het Vaderschap ligt in het kindschap.

Meerdere malen heb ik gehoord, dat velen van Gods volk schuchter staan, om den naam „Vader" te gebruiken, waarom zij het „Onze Vader" dan ook niet bidden. Dit is te begrijpen, omdat in hun hart geen zekerheid is, dat God in Christus hun Vader geworden is. Dat neemt echter niet weg het feit, dat de Heere Jezus het Zijn discipelen geleerd heeft, toen zij die bewustheid voor zichzelf ook niet hadden. Ze waren nog blind voor de rijke beteekenis van het lijden en sterven van Christus. „Dat zal U geenszins geschieden", zei Petrus. Het licht is daarover pas opgegaan toen de Heere Jezus opgestaan was uit de dooden en nog voller werd het licht op den Pinksterdag, toen de Heere Zijn gemeente stelde in den staat van mondigheid en de Heilige Geest uitgestort werd, waarvan de apostel getuigt, dat Hij is de Geest der aanneming tot kinderen, door welken wij roepen: „Abba, Vader".

Laat niemand van ons, die onbekeerd is, het „Onze Vader" op de lippen nemen, want een onherboren mensch kan God zijn Vader niet noemen.

Behalve dat het gebed bevat een aanspraak „Onze Vader, Die in de hemelen zijt," bevat het nog 6 beden, waarvan er 3 gericht zijn op de eere Gods en 3 op onze nooden.

Welk onbekeerd mensch heeft nu ooit betrekking op de eere Gods, wat juist bij tijden en oogenblikken voor Gods volk de zaligheid der ziel uitmaakt.

Ik besluit de beantwoording van deze vraag met U te verwijzen naar de meening van Ds. Smijtegeld in zijn catechismus n.dr. bladz. 623 t.m. 625, naar Brakels Red. Godsd. deel 2, hoofdst. 25 en naar de catech.predikatie van Ds. G. v. Reenen, deel 2, bladz. 312.

De Heere doe U veel vragen: „Neig mijn hart en voeg het saam, tot de vreeze van Uwen Naam".

G. J. V. te R. zou gaarne een uiteenzetting willen hebben over de verbondsbeschouwing in onze gemeenten en in verband daarmee over de beteekenis van den Doop en eindelijk op welke gronden wij het niet eens zijn met de verbondsbeschouwing in de Chr. Geref. Kerk.

Antwoord: U begrijpt wel, dat de vragenrubriek zich niet leent, om op deze zaken in te gaan. Ik verwijs U naar de vele artikelen in de Saambinder, waar 'n Ds. Kersten èn Dr. Steenblok menig artikel geschreven hebben over dit gewichtig onderwerp.

Mocht de Redactie van „Daniël" het noodig oordeelen over de leer der verbonden te schrijven, dan zullen te zijner tijd wel eenige artikelen verschijnen.

M. uit L. stelt de volgende vraag:

Vorige week had ik een gesprek met een Roomsche. Al spoedig ontstond er een dispuut over zijn godsdienst. Het punt vergeving der zonden door pastoors, bisschoppen en paus kwam ter sprake. Toen kwam hij met den tekst uit Joh. 20:23: „Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden zij vergeven; zoo gij iemands zonden houdt, dien zijn zij gehouden". Wat moeten we hierop antwoorden?

Antwoord: In het huishoudelijk werk Gods, treedt God de Vader op, als Handhaver van de geschonden deugden Gods, als Rechter en Christus als Pleitbezorger of Advocaat voor Zijn volk. De Rechter spreekt vrij. Aan niemand is de macht gegeven de zonden te vergeven, dan alleen aan Christus, volgens Matth. 9:6, waar we lezen: „Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde, de zonden te vergeven, enz."

In het 1e deel van vader Brakel, hoofdstuk 29 wordt gehandeld van de kerkelijke macht. Wanneer hij het heeft over de sleutelen van het Koninkrijk der Hemelen, dan zegt hij, dat is een macht om in de kerk in te laten en uit te sluiten. Deze macht verblijft noch heeft haar zitplaats in de opzieners als oorzaken en als eigenaars, zij hebben de macht in zichzelven niet, zij mogen daarmede niet handelen zooals zij willen, 't is hun eigen macht niet, noch door natuur, noch door gift, maar 't is en blijft Christus' macht en zij zijn maar dienaars, door welke Christus die macht uitvoert.

Deze macht bestaat in binden en ontbinden, in zonden te vergeven en te houden: Matth. 16:19 en Joh. 20:23.

De vastigheid vloeit niet uit de dienaars, of ook niet uit eenige verbintenissen, die God gedaan heeft om zich naar den opzieners wil en doen te voegen, maar omdat het Christus' macht is en die in Zijn Naam en naar Zijn voorschrift en bevel geschiedt. (Jes. 3: 10 en 11).

Uit deze verklaring blijkt duidelijk, dat een pastoor, bisschop of paus toch de zonden niet vergeven kan. Dat kan God alleen.

Het is, als met zooveel andere zaken in de Roomsche kerk een gruwelijke ketterij om op grond van Joh. 20:23 te pleiten voor de z.g.n. biecht, een van de zeven sacramenten. De Gereformeerden verwerpen haar geheel, omdat zij in strijd is met Gods Woord. Het is een heerschen over het geweten en leidt o zoo gemakkelijk tot onkiesheid en afzetterij.

B. te R. vraagt of er bezwaar is om het Matthäus Passion te gaan beluisteren.

Antwoord: Het Matthäus Passion is evenals het Johannes Passion een werk van Johannes Sebastiaan Bach, den grootsten componist van de Protestantsche kerkmuziek.

Het woord passion doet ons denken aan passie, dat lijden beteekent. Hier ziende op het lijden van den Heere Jezus, zooals Mattheus en de andere Evangelisten het onder de inspiratie des Heiligen Geestes geschreven hebben.

Zonder iets ten kwade te zeggen van de muziek van Bach, komt het mij toch voor naar zulke stukken niet te gaan luisteren, daar toch het lijden van Christus te heilig en te dierbaar is, dan dat dit gezongen moet worden en dan nog wel door menschen, die daar een beroep van maken en die zelf de rijke beteekenis daarvan niet verstaan.

Het uitgalmen van Christus' lijden wordt dan niet anders dan profanie. Laten dat de muziekliefhebbers, die bij oogenblikken daardoor gesticht meenen te worden, recht verstaan.

Gruwelijker wordt het nog, wanneer er een voorstelling bij wordt gegeven waar de Heere Jezus en de apostelen ten tooneele worden gevoerd en zelfs de stem van Christus wordt nagebootst.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1946

Daniel | 8 Pagina's

VRAGENBUS.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1946

Daniel | 8 Pagina's