Bijbelse overdenking
HET HOOREN EN BEWAREN VAN GODS WOORD. (I).
Maar Hij zeide: „Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods hooren en hetzelve bewaren". Lucas 11 : 28.
Niet alleen zijn er „zaligsprekingen" gekomen uit den mond van Christus op den berg, maar ook in dezen tekst hebben wij er een, die van groote beteekenis is.
Christus had een duivel uitgeworpen, die stom was. Een duidelijke proeve had Christus gegeven van Zijn Goddelijke Almacht, maar ook van Zijn Goddelijke ontferming.
Het was geen wonder, dat de schare zich verwonderde. Immers, wie was tot zulk een werk in staat? Christus was krachtig in woorden en in werken. De Farizeeën, inplaats dat zij verblijd waren over dat gewerkte wonder, lasterden God. Wat is toch de mensch, wanneer hij zijn vijandschap tegen God gaat uitleven.
Wat wordt het dan openbaar, dat zijn keel een geopend graf is en dat slangenvenijn onder zijn lippen is.
Terwijl nu die „geleerden" lasteren, geraakt er een vrouw in verrukking.
Christus weerlegt die vijanden op een afdoende wijze, gelijk het Hem alleen eigen is. De rede van Christus grijpt deze vrouw aan en temidden van de bitterste vijanden roept zij eensklaps uit: „Zalig is de buik, die U gedragen heeft en de borsten, die Gij hebt gezogen."
Christus spreekt die vrouw niet tegen. Zijn „ja" bevestigt veeleer, wat zij sprak. Had niet trouwens een vrouw, meerder dan deze, Maria als de gezegende onder de vrouwen begroet? (Luc. 1:42). Ja, had de Engel Gabriël het niet gedaan, eerder dan Elizabeth in vers 28?
Toch achtte Jezus het noodig om het woord van die vrouw aan te vullen. Dat deed Hij door er op te laten volgen, dat er niet alleen voor Zijn moeder reden was om zich over zijn geboorte te verheugen, maar voor elk, die het Woord Gods hoort en bewaart, dat is met andere woorden, geloovig aanneemt en volstandig in beoefening brengt.
Zoo de vrouw, die het geluk Zijner moeder prijst, Zijn discipelin is, mag zij zich even gelukkig achten, als of zij Zijn moeder was.
Maria was zalig, omdat zij Christus droeg in haar hart, meer dan onder haar hart. Zij had het „Woord Gods" in haar blijvende.
De Heere Jezus spreekt niet zalig degenen, die het Woord gehoord hebben, maar met nadruk staat er: „hooren èn bewaren".
Herodes had Johannes den Dooper zelfs gaarne gehoord. Agrippa had Paulus beluisterd; doch beiden hadden er geen winst mee gedaan voor de eeuwigheid.
De Schriftgeleerden in Luc. 20:39 hebben zelfs tegen Christus gezegd: „Meester, Gij hebt wel gezegd". Doch Christus heeft in Joh. 13:17 verklaard: „Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij, zoo gij dezelve doet".
Het tijdgeloof neemt de waarheid aan met eenig uiterlijk genoegen, doch 't heeft geen blijvende kracht in hen. Die volharden zal tot het einde, die zal zalig worden.
Groot, zeer groot is het voorrecht, jonge vrienden, om onder het Woord Gods geboren te zijn en er onder te mogen leven. Wat wij onder dat Woord verstaan?
De openbaring van den eeuwigen raad Gods tot zaligheid in Christus Jezus.
De heilige mannen, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben ze gesproken. 't Is het Woord Gods, ingegeven van den alleen Wijzen God en daarom kunnen wij het noemen: „het Woord der Wijsheid."
't Is het Woord van den Waarachtigen God en vandaar „een Woord der Waarheid".
Van den Heiligen, ja den Allerheiligsten God en daarom „een Woord der Heiligheid".
Van den eeuwigen God is het, want het bestaat tot in der „eeuwigheid"!
't Is van den Volmaakten God en daarom „een volmaakt Woord". Dat Woord bevat: leering, wederlegging, verbetering, onderwijzing die in de rechtvaardigheid is, 2 Tim. 3:16, ook vertroosting, Rom. 15:4, vermaning, opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.
Dat Woord Gods is het zaad der wedergeboorte, waardoor wij nieuwe schepselen gemaakt worden. 1 Petr. 1:23. De melk, waarbij wij als kinderkens opwassen. De spijze, waarmede onze zielen gevoed worden ten eeuwigen leven. Hebr. 5:14.
De bazuin Gods, Jes. 58:1, die ons uit den slaap der zonde opwekt. Efeze 5:14.
De spiegel, Jac. 1:23, die ons het aangeboren aangezicht, de vuiligheid van binnen en buiten vertoont. Het zout, Matth. 5:13, 't welk ons de vuile, stinkende wonden van onze zonden opent.
't Is een hamer, Jes. 22:39, die onze steenen harten vermorzelt, zoodat wij gebroken als arme en verloren zondaren aan de voeten Gods vallen met de bede: „Gena, gena o God, hoor hoe een boeteling pleit".
Het is een zwaard, Efeze 6:17, 't welk besnijdt de booze lusten van ons verdorven vleesch. Gods Woord is de medicijn onzer ziele, die dezelve heelt en geneest van hare gebreken, zijnde een gezond en gezondmakend Woord.
't Is wel als mirre en aloë bitter in onzen mond, nochtans voor het hart en den inwendigen mensch gezond; doch daarenboven de balsem Gileads, Jes. 8:22, heelende de verbroken harten. Jes. 61:1.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 augustus 1946
Daniel | 8 Pagina's