KERKGESCHIEDENIS.
Nu moeten wij, vóór dat we beginnen met de eigenlijke K.G., ons eerst nog afvragen, hoe wij die geschiedenis bezien en behandelen moeten. We zullen daarbij ook een antwoord moeten geven op de vraag, wat we onder „kerk" en ,,geschiedenis" moeten verstaan.
't Is natuurlijk onmogelijk, om alle feiten op te gaan sommen. Heel het verband zou dan ook verloren gaan. En inderdaad zou de wereld dan de geschreven boeken niet kunnen bevatten. Wij zijn dus gedwongen, om een keuze te doen. En daarbij moeten wij ons laten leiden door déze gedachte, dat 't n.1. gaat, om de groote lijn, die door heel de K.G. loopt. Als we die lijn mogen zien, is 't pas mogelijk, om de boodschap des Heeren, aan ons, in de geschiedenis te beluisteren. En pas, wanneer we een tijdperk (b.v. de Reformatie van Luther en Calvijn) in verband zien met het gehéél der K.G., dus met die groote, Goddelijke lijn, pas dan zullen we dat tijdperk goed kunnen begrijpen.
Die groote lijn, de gouden draad der Goddelijke Voorzienigheid, die door de geschiedenis der kerk loopt, is ons uitgestippeld in de Openbaring aan Johannes. Daar worden de lotgevallen der kerk ons geteekend. Daar is het het onfeilbare Woord Gods zelf, dat ons de maatstaf, het richtsnoer aan de hand doet, waarnaar we te beoordeelen hebben, hoe en waar de lijn loopt en waar die door menschelijke dwaasheid en eigenwilligen godsdienst in Gods toorn wordt afgebroken, om in een andere richting zijn loop te vervolgen. Zoo zien wij die draad de Roomsche Kerk verlaten en zich voortzetten onder de Hugenooten, Huss, John Knox, Luther, Zwingly, Calvijn enz., enz. In 1618-1619 zien we weer, dat de lijn zich splitst. Ze loopt dood in het Remonstrantisme, ze zet zich voort in de Hervormde Kerk der Nederlanden. En zoo is het telkens.
Nu hebben we al gezegd, dat Gods onfeilbaar Woord ons de maatstaf in handen geeft, om te beoordeelen, hoe de lijn der kerk loopt. Maar laten wij hier zéér voorzichtig zijn. Hier is biddend onderzoek van noode. Wij zijn zoo geneigd, om onze maatstaf daarbij aan te leggen: Dat is verkeerd. Wij moeten Gods Woord daarover laten oordeelen. En dus is het noodzakelijk om eerst dat Goddelijke Woord te verstaan!
Zoo zien wij, dat ,,geschiedenis" niet kan zijn: het opsommen van de feiten en gebeurtenissen, die de kerk heeft doorleefd, maar een aantoonen van het verband, dat er is tusschen de verschillende feiten. We zullen dat met een voorbeeld nog duidelijker maken. Wanneer wij met den trein, per fiets, of op andere wijze onze landstreek doortrekken, dan zien wij allerlei kleine bijzonderheden. Maar over het geheel van de streek krijgen we geen volledigen indruk. Maar zouden wij nu een foto zien, vanuit een vliegtuig genomen, dan hebben we een totaal-indruk. Nog een ander voorbeeld: We staan vlak onder den Domtoren in Utrecht. De steenen, die voor den bouw van dien toren gebruikt zijn, kunnen we nauwkeurig bekijken, maar dat geeft ons geen idee van het volledige beeld. Pas, wanneer we dat machtige bouwwerk op een afstand zien, kunnen we de lijnen ervan bewonderen. Toch is 't ook belangrijk, als we ons voor bouwwerken interesseeren, om den toren eens te beklimmen en het beeldhouwwerk te bezichtigen. Dat konden we van verre niet zien. Als we nu later dien toren weer van een afstand zien, dan zien we hem toch anders. Dan weten we, dat dat kleine, uitstekende puntje een uitgebeitelde leeuwenkop is, of een draak. We kennen de bijzonderheden en zien die van verre nu in hun verband met het geheel van den toren.
Zoo is het ook met de geschiedenis. We moeten van de verschillende feiten wel kennis nemen. We moeten weten, hoe 't precies gegaan is. Maar toch moeten wij over 't geheel, over alles bij elkaar, een totaal-indruk, een overzicht hebben, om te kunnen zien, hoe de groote lijn loopt. Dan zijn de kleine feiten, die van dichtbij zoo belangrijk (groote leeuwenkoppen) waren, niet meer dan heel kleine puntjes. *)
Nu rest nog de vraag: ,,Welke feiten moeten wij onderzoeken?" In geen geval alleen de uiterlijke lotgevallen! Dan begrijpen we niets van de vele kettersche besluiten op Concilies en Synoden. We moeten dus zoowel de innerlijke als de uiterlijke lotgevallen bezien: Vroomheid, eeredienst, stichting, uitbreiding, leer en leven, enz., enz.
Maar ja, van wèlke kerk? Er zijn er sedert den Pinksterdag zoovéél, die zich aandienen als de ware kerk! Daartoe moeten wij steeds weer teruggaan op Gods Woord. Dàt Woord maakt uit, welke kerk de ware is. Toch zullen ook de ketterijen en secten steeds in hun ontwikkeling gevolgd moeten worden, omdat ze van invloed waren op de ontwikkeling van de ware kerk.
*) Zie hiervoor H. Berkhof: Geschiedenis der Kerk, (Callenbach Nijkerk), die duidelijk de groote lijnen laat zien!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 juli 1946
Daniel | 8 Pagina's