Eén ding weet ik
Steven en Bram praten op een muurtje over vroeger, hun band en geloof. Steven deelt zijn fascinatie voor het Johannesevangelie, waarin Jezus de blinde geneest. Later gaan ze met rij-instructeur Meijer op pad. Bij diens huis ontmoeten ze Naomi en haar zus Rachel. Steven speelt piano en ontroert iedereen, terwijl een jongen in een rolstoel binnenkomt om mee te luisteren.
Als ze eenmaal weer aan het rijden zijn, begint Meijer er zelf over. “Dus nu heb je onze Jaïr ook gezien. Misschien kun je soms merken dat ik politieman geweest ben, maar ik ben er alweer heel wat jaren uit. Ik kon het niet meer combineren met thuis. Jaïr is in 2006 geboren. Er waren meteen grote zorgen. Het is bijzonder hoe het nu op dit moment nog met hem mag gaan. Zijn ontwikkeling ging in heel kleine stapjes, en vaak was er ineens een grote sprong achteruit. Maar je kunt hem geen groter genoegen doen dan muziek maken. Hij weet feilloos wat werkelijk muzikaal is. Ho, remmen! Deze zie je haast niet, die weg van rechts, met die enorme struiken hier. Gemeen weggetje.”
Bram duwt het rempedaal in, na een korte blik in de binnenspiegel. Hij kan zich levendig voorstellen dat Meijer ander werk is gaan doen. ’s Morgens thuis en ’s middags rijlessen geven. “Dus kortom”, gaat Meijer verder, “twee stappen en hij valt. Hij heeft een lage spierspanning, is heel instabiel. Alleen al het aantal keren dat zijn knieschijven uit de kom gingen was niet bij te houden. Hij heeft onder andere het Ehlers-Danlos syndroom, een ziekte aan het bindweefsel. En toch, toch is hij een juweel van een zoon.”
Bram stuurt naar rechts, een lange, wijde bocht, waarin hij niet harder dan 60 kilometer per uur mag rijden. Hij merkt tot zijn verrassing dat hij vrij goed naar Meijers verhaal kan luisteren, terwijl hij achter het stuur zit. Dat moest zijn instructeur tijdens de eerste paar lessen niet proberen. Intussen heeft hij een vraag, die hem volkomen logisch lijkt.
“Dat is voor uw vrouw ook heftig geweest, en nog”, zegt hij. Hij heeft de vraag amper uitgesproken of hij voelt al dat het niet de juiste is. Hij had het kunnen vermoeden.
Meijer werpt hem een triest glimlachje toe. “Mijn vrouw woont sinds 2011 niet meer bij ons. Je moet weten dat het conservatieve Joodse geloof bepaalde… oerkrachten huisvest. Het gaat in principe nooit akkoord met de acceptie van Jeshua als Zoon van God. Haar vader en broers hebben haar zodanig overbluft, destijds, dat ze meende de band te moeten breken. Dat was toen ik Jeshua ging volgen. En het gekke is… voor die tijd had ikzelf een minstens zo grote afkeer van Jeshua als zij nu nog steeds hebben.”
Bram haalt onmerkbaar en diep adem. Dan zegt hij: “Is Jeshua dezelfde als Jezus?”
“Ja, klopt”, zegt Meijer. “Sinds ik Hem werkelijk leerde zien en vertrouwen, kwamen alle andere soorten liefdes op losse schroeven te staan. Zelfs de innige liefde tot m’n vrouw zag er vanaf die tijd anders uit. Ik houd nog steeds van haar, begrijp me goed.”
“Woont ze nog in de buurt?”
“Nee, in Middelburg.”
“Oké”, zegt Bram. “Dat is inderdaad een eindje uit de buurt.” Aan de ene kant voelt het vreemd, dit vertrouwelijke gesprek. Maar anderzijds is het alsof hij Meijer al jaren kent. Alsof hij naast de vader van een goede vriend zit.
Bram kijkt op het klokje. Dan wijst hij naar het dashboardkastje. “Die foto van die Joodse vriend van u. Best apart dat u die laatst meteen tevoorschijn kon halen. U reageerde zo kalm. Bent u soms wel vaker op die manier beledigd, of bedreigd?”
Meijer lacht. “Vergeet niet dat ik een politieverleden heb. Dat ik behalve een degelijke training ook bijzonder veel van dit soort incidenten heb meegemaakt. Maar, toegegeven, zulke overduidelijke aanvallen van antisemitisme blijven heel pijnlijk. Absoluut.
We gaan zo weer richting Eindhoven, Bram. Je broer oppikken. Hij zal wel balen dat-ie weer mee moet”, voegt hij er met een grijns aan toe.
Bram knikt en volgt moeiteloos de aanwijzingen op. Hij krijgt bijna de neiging om te vragen of hij volgende week rijexamen mag doen. Niet veel later parkeert hij de Volkswagen in het vak tegenover de achtertuin van Meijer.
“Ah”, wijst hij. “Nu zie ik ook die bus daar. Die is dan zeker van jullie? Kan een rolstoel achterin.” Op de blauwe sticker staat: Please leave space, access for wheelchair.
“Dat had je toch al lang gezien?” zegt Meijer, terwijl hij het portier zachtjes laat dichtvallen. “Anders moet je ook maar een jaartje bij de politie gaan. Ideetje?”
“Nou, wie weet”, zegt Bram. “Eerlijk gezegd nooit overwogen. Ik zie mezelf eerder een studie doen met een link naar economie en bedrijfsculturen, zoiets.”
Meijer duwt het poortje open en gaat hem voor naar binnen. De eerste die Bram ziet, is Jaïr, zittend aan het hoofd van de tafel. Met zijn rug naar de boekenkast zit Steven, die zo te horen een heel interview aan het krijgen is van… Rachel? “Nou, jij bent er snel op uitgekeken”, zegt Meijer met een overduidelijke knipoog in zijn stem.
Steven maakt een schrikbeweging, wil overeind komen, maar Meijer laat een ontwapende lach horen. “Welnee joh, het is ook heel goed om even kennis te maken. Ik hoor dat onze journaliste alweer helemaal in haar rol zit. Goed bezig, Rachel.” Dan buigt Meijer zich over de rolstoel en legt zijn wang een paar tellen tegen die van zijn zoon. “Welk cijfer krijgt de pianist?” vraagt hij.
Jaïr kijkt naar zijn handen en steekt zonder aarzelen alle tien zijn vingers de lucht in. “Een tien, pianist”, zegt Meijer. “Maar je hebt vast nog een toegift achter de hand?”
Steven knikt en gaat staan. “We waren wel in een behoorlijk stevig gesprek gewikkeld. Ik ben wel een beetje verbaasd wat die dochter van u allemaal durft te vragen. Ik geloof niet dat ze zich ergens door laat afremmen.”
Rachel draait zich om en kijkt haar vader en Bram aan. Ze schudt zogenaamd verontwaardigd haar hoofd. Opnieuw treft het Bram hoezeer ze op haar zus lijkt, behalve de uitgesproken spontaniteit die van haar afstraalt.
“Een toegift.” Steven begeeft zich naar de vleugel en strijkt neer op de kruk. Hij begint met zijn pink, een donkere, liggende toon. Daarna wervelt hij omhoog en dan klinken de eerste tonen van een bijzondere melodie. Bram luistert met aandacht en ziet dat Meijer verrast reageert op de melodie. “Ongelooflijk”, fluistert hij, zich naar Bram toebuigend. “Speelt-ie gewoon het Hatikwa. Ons volkslied. Hoe kent hij dat? Hoor je het, Rachel, die melodie?”
“Ja, uiteraard, wat dacht je”, fluistert ze terug.
“Het lied van de hoop”, zegt Meijer. Bram luistert en kijkt ongemerkt naar de jongen in de rolstoel. Jaïr moet een jaar of veertien zijn. In zekere zin zou er een verwantschap kunnen ontstaan tussen hem en Steven.
Rachel springt overeind en klapt in haar handen als de improvisatie uit is. “Oh”, roept ze. “Ik geloof niet… ik heb… ik ben in mijn hart geraakt, door je spel. Papa, hoe vindt u dit nu?” Meijer knikt en ineens ziet Bram dat hij warempel met de rug van zijn hand langs zijn ogen veegt. Hij gaat staan en legt zijn hand op Stevens rug. “Mooi gedaan, broer.”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 oktober 2025
Daniel | 40 Pagina's