Eén ding weet ik
Tijdens een autorijles maken Bram en instructeur Meijer een bedreigende situatie mee bij een pompstation. Bram is onder de indruk, maar Meijer blijft kalm en leidt het gesprek naar diepere vragen over lijden en genieten. Thuis aangekomen, vraagt Meijer om excuses aan Brams ouders en geniet van Stevens pianospel. Muziek blijkt een verbindende en troostende kracht.
“Dit is hem niet”, zegt Steven. “Dat moet je nu toch onderhand weten. Jouw wagen klinkt echt anders.”
“Ik zei ook niet dat hij eraan kwam. Ik zei alleen dat ik iets hoorde”, reageert Bram. Hij zit naast Steven op het muurtje voor hun huis.
“Nogmaals”, zegt Bram met een schertsende ondertoon.
“Heel moedig van je dat je bij mij achterin gaat zitten.”
“Bram?”
“Vertel.”
“Stom dat ik dat boek doormidden scheurde. Tijd geleden alweer. Ik denk dat ik inderdaad chagrijnig was, omdat jij ging rijden. Het leek toen of ik ontplofte om een kleinigheid, maar…” Hij valt stil.
Bram likt over zijn lippen. Beetje droge mond heeft hij ineens. Dat Steven hier zomaar over begint ontroert hem. Een tijdje blijft het stil tussen hen. Bram kijkt even naar zijn broer. Dan zegt hij: “Snap ik best, joh. Het is soms ook gewoon zo rot. Zo ontzettend, ehm… ja, dat het gewoon niet anders wordt. Dat dit het is. Maar ik probeer echt een fijne broer voor je te zijn. Echt, Steven!”
Steven geeft hem een goed gerichte por in de ribben. “Dank je wel dat je geduld met mij hebt”, zegt hij. “Ik denk dat ik alsnog heel veel geluk heb. En toch”, voegt hij er aarzelend aan toe, “toch ben ik niet overtuigd dat er zoiets als geluk hebben bestaat. Als je begrijpt wat ik bedoel.”
Bram fronst. Wacht even, welke kant gaat Steven nu weer op? Ze hebben het verder niet meer over de kerk gehad.
Steven vervolgt: “Dat verhaal van die blindgeboren man. Daar krijg ik geen genoeg van. Je voelt gewoon dat niets, niets er toevallig aan is. Als die man een soort outcast wordt, dan hoort Jezus dat, hè.”
“Jezus?”
“Ja, dat is de absolute Hoofdpersoon van het hele boek Johannes, maar ook van al die andere delen. Het boek Johannes heb ik al een keer helemáál geluisterd. In het eerste hoofdstuk staat: Niemand heeft ooit God gezien. Dat vond ik zo ontroerend. Want ineens zijn we allemaal gelijk, als je dat leest. Ik ben dan niet meer anders dan jij. We hebben allebei nooit God gezien.”
“Nee”, zegt Bram. Hij bukt zich en trekt een polletje gras tussen de tegels uit. Wat is dit ongemakkelijk. Het is bepaald nog niet voorbij met die fascinatie van zijn broer.
“Aan het eind gaat het zo: De blinde man kan weer zien en loopt daar wat rond. En dan vindt Jezus hem. Ze hebben een kort gesprekje. Echt, ongelooflijk. Jezus vraagt hem of hij in de Zoon van God gelooft. Die man zegt: ‘Wie is Hij?’ Dan zegt Jezus: ‘Je hebt Hem gezien. Hij praat met je.’ Dan zegt die man gelijk: ‘Ik geloof!’ Ik kan het niet goed uitleggen. Maar ik vind het zo… het is voor mij nog realistischer dan dat jij hier naast mij zit. Dat het zo gegaan is, bedoel ik.”
“Wel mooi, hoe je dat zegt”, mompelt Bram. Hij werpt het gras met een boogje over zijn schouder en komt overeind. Meteen voelt hij de hand van Steven op zijn rug. “Ik laat mijn stok thuis. Dus ik volg je. Ik hoor hem aankomen.”
Meijer komt langsrijden en stapt uit. “Heren”, zegt hij. “Allereerst mijn excuses. Zat ik net gewoon in de auto me voor te stellen dat je een stapeltje bladmuziek bij je zou hebben, Steven.”
Steven grinnikt. “Wat eerlijk van u om zoiets te zeggen. Zal ik achterin gaan?”
“Doe maar”, zegt Meijer. “Ik kan je ook voorin laten, maar het liefst houd ik mijn voet nog een beetje in de buurt van de reserverem.”
“Mooi woord”, zegt Bram. “Reserverem. Ik reserveer ’m.” Hij stapt in, klikt zijn gordel vast, verstelt de spiegel en het stuur, en ten slotte ook nog de stoel.
“Nou Steven”, zegt Meijer. “Bedenk jij maar een route.” “De straat uit, dan naar links. Dan bij de brievenbus die eenrichtingsweg in. Daarna bij de verkeerslichten naar links. En vertel dan maar even of de ezels er staan. Soms zijn ze binnen.”
“Komt goed”, lacht Bram. “Maar het zijn nogal wat aanwijzingen achter elkaar. Dat doet mijn instructeur toch wat relaxter.”
Bram rijdt de Volkswagen soepel door het verkeer. Veel basisvaardigheden gaan echt al lekker. Al kan hij met het grootste gemak de auto nog steeds laten afslaan voor een druk kruispunt. Het blijft lastig, ook het naderen van een kruispunt of een T-splitsing.
Meijer neemt de rol weer van Steven over. Steven laat af en toe een compliment horen en soms wat commentaar: te hard geremd of te laat geschakeld.
Als ze ten slotte stilstaan in het welbekende parkeervak, stapt Steven als eerste uit. Met zijn hand op het dak loopt hij naar de achterkant van de auto. Bram legt zijn arm om de schouders van zijn broer en steekt over. Meijer duwt het poortje open.
“We lopen nu voorbij een prachtig bassin met koikarpers”, zegt Bram.
“Ik dacht al dat hier water was”, zegt Steven.
Meijer gaat hen voor naar binnen. Aan de tafel zit Naomi, met veel gekleurd papier voor zich, lijm, schaar, plakband. Ze heeft haar groene jurk aan. Als ze zich omdraait, hapt Bram onwillekeurig naar adem. Hij ziet een open, spontaan meisje dat veel jonger dan Naomi lijkt.
“Oh, wacht even”, zegt hij. “Ben jij soms Rachel?”
“Helemaal goed”, zegt ze. En meteen klinkt een vrolijk lach. “We hebben al vaak moeten verdedigen dat we geen tweeling zijn. In kledingzaken geeft het ook regelmatig gedoe. Maar gek genoeg heeft mijn grote zus bepaald geen blauwe ogen, zoals ik.”
Ondertussen heeft Meijer twee handen op Stevens schouders gelegd. Hij duwt hem zacht richting de zwarte vleugel, achterin de kamer. De kamer is werkelijk enorm. Bram probeert niet al te opvallend om zich heen te kijken. Er moet bij deze mensen nogal wat geld te besteden zijn. Toch heeft hij bij Meijer nooit het gevoel gehad dat hij zich superieur voordeed. Beslist niet.
Stevens handen hebben de toetsen gevonden en hij begint te spelen. Eerst zacht, met veel donkerbruine klanken. Dan vlugger en met sierlijke loopjes in de rechterhand. Bram werpt een blik op Rachel, die zo te zien met een opdracht voor school bezig is. Maar Rachel doet op dit moment niets voor school. Haar mond staat een beetje open. De blik op haar gezicht is ernstig, bijna devoot.
Er klinkt een bonk tegen de kamerdeur. Steven stopt ineens. Hij draait zijn lege ogen naar achteren.
“Moment, kerel”, roept Meijer. Hij stapt vlug naar de deur en trekt die open. Hij helpt de rolstoel de kamer in. De jongen die erin zit heeft een groot geblokte plaid op zijn schoot liggen. Zijn ogen glanzen. Hij maakt geluid.
“Ja, prachtig hè?” zegt Meijer. “En daar mag je het komende uur van genieten.”
Dan richt hij zich op Bram. “Zo joh, wij gaan nog even, ja?”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 oktober 2025
Daniel | 40 Pagina's