Eén ding weet ik
Steven kan geen foto’s bekijken. Daarom vraagt hij soms aan Bram te beschrijven wat hij ziet. Ditmaal heeft Steven een bijzondere foto op internet gevonden. Hoe komt hij daar nu weer aan?
Zaterdagavond heeft Bram een aangenaam soort spierpijn. Hij voelt op een prettige manier zijn hele lijf. Op de terugweg in de auto had zijn vader verteld over de grote klus op de A50. Het onderhoud was hard nodig, want het was een gatenkaas daar. Met een gangetje van 250 meter per uur asfalteren. Rijkswaterstaat mag aan iedereen uitleggen waarom de snelweg daar ruim twee weken dicht zit. Zijn vader is blij dat hij niet in de politiek of iets dergelijks zit.
Aan de kamertafel is Anneloes met vader en moeder een spelletje begonnen. Aan het gebabbel van Anneloes te horen, stelt ze zich alweer een enorme overwinning voor. En dat allemaal ondanks het tekort aan geluk en haar onovertroffen tactieken. Haar eerste tactiek heeft ze al ingezet om vader mee te laten doen, want die had uiteraard weinig zin.
Bram ziet Steven aan komen lopen, taststok losjes in de hand. Het is dat Steven echt niets met honden heeft, anders had die hem op zijn rondje kunnen vergezellen. Vader en moeder zullen het waarschijnlijk wel geschikt vinden, zonder zo’n beest. Voor Anneloes ligt dat anders en die discussie laait dan ook regelmatig op.
“Lekker gelopen?” begroet moeder hem bij binnenkomst. “Halfuurtje denk ik?” Steven tikt op zijn Smartwatch. “Tijd?” Een rustige mannenstem antwoordt: “Vijf minuten over acht, ’s avonds.”
Steven trekt zijn schoenen uit en komt de kamer inlopen. Hij laat zich zakken op de stoel tegenover Bram.
“Jo”, zegt Bram. Hij zit met de laptop op schoot. Een tijdlang heeft hij uitslagen van tennistoernooien zitten bekijken. De kans is klein dat hij zo goed wordt dat hij überhaupt ergens een keer een finale zal spelen. Dit seizoen werkt hij redelijk consequent aan zijn opslag. Die verbetert wel, laatst hadden ze een keer een opslag van 136 kilometer per uur gemeten. Maar dat zijn de uitzonderingen, en topspelers zijn in staat om 236 kilometer per uur te meppen. Ook uitzonderingen, waarschijnlijk. “Hé Bram”, haalt Steven hem uit zijn gefantaseer. “Kun jij misschien aan mij vertellen wat er op een foto staat? Ik heb hem net naar je gemaild.”
Bram kijkt op. Steven zit met zijn eigen toetsenbord voor zich en glimlacht. Bram gaat naar zijn mailbox. De bovenste mail is inderdaad van zijn broer.
“Oké”, zegt hij aarzelend. “Heb je nog een bepaalde kijkvraag voor me? Waar moet ik op letten? Op personen? Of gewoon de hele foto beschrijven, van links tot rechts, van onder tot boven? Heb je deze van internet gehaald?”
Steven zit nu aandachtig rechtop. “Wat zie je? Eerst even algemeen en daarna de details, als je wilt.”
“Komt-ie”, zegt Bram. “Ik zie een… zaaltje. Hier en daar wat lampen aan de muur. Rechts achterin een deur. Daarnaast een soort mededelingenbord. Ik zie twee, vier, zes, acht… ongeveer dertien mensen. Allemaal mannen. Tien ervan hebben een soort petje op hun hoofd. Twee mannen, helemaal vooraan links, hebben een witte doek over hun schouders en gedeeltelijk ook over hun hoofd. Rechts staan twee wat jongere mannen, een jaar of dertig. Hé, wacht…” Bram duwt een aantal keer op Ctrl+ en zoomt de foto in. Een jonge man, donkere baard, brilletje. Een witte doek met dunne donkerblauwe banen om de schouders. Er hangen losse touwtjes aan. De mannen staan allemaal enigszins gebogen, en houden een geopend boekje in hun handen.
“Ja?” zegt Steven. “Een jonge man, zeg je?”
“Honderd procent”, zegt Bram ten slotte. “Dit is Meijer, mijn rijinstructeur. Wat ben jij voor goochelaar?” voegt hij er aan toe, met een blik op Steven. “Doe jij research naar die man? Wat maakt dat je hier zo mee bezig bent? Dit is al een wat oudere foto, denk ik. Misschien nog wel van…”
“1999”, zegt Steven vlug. “Het is een synagoge.”
“Een wat?”
“Dat gebouw waarin deze mannen zich bevinden.”
“Wacht even”, zegt Bram. “Is dat zo’n Joodse kerk? Volgens mij ligt hier trouwens ook nog een soort takje op de tafel. Ik zie nu ook letters op het afhangende tafelkleed. Dat zijn Hebreeuwse letters, denk ik. Aha, ik heb een Joodse rijinstructeur. Apart idee.”
Hij kijkt opnieuw naar de foto. Dan bedenkt hij dat Meijer hier waarschijnlijk nog geen kinderen heeft. Vrouwen zijn er sowieso niet te zien op de afbeelding. Hij doet zijn ogen even dicht en ziet een rode emmer naar beneden duikelen. Golvend donker haar in de raamopening van een dakkapel.
“Weet je wat mij triggert”, zegt Steven zacht. “Het kan toch niet allebei tegelijk waar zijn. Je bent toch óf Jood of christen?” “Geen idee”, zegt Bram. “Waarom zou het niet allebei kunnen? Je hebt toch ook Amerikaanse christenen, en Egyptische?”
Ineens merkt hij dat zijn vader achterstevoren op zijn stoel zit. Hij kijkt geïnteresseerd naar hen en lijkt te proberen hun gesprek te volgen.
“Wie is een christen?” zegt hij.
“Oh”, zegt Bram. “Of je een Jood en een christen tegelijk kan zijn.”
“Dat moet je aan je moeder vragen.”
Moeder reageert geërgerd. “Ga die jongens daar nou niet mee belasten. Je bent aan de beurt, schat.”
Steven zit roerloos op zijn stoel. Hij heeft zijn gezicht in de richting van moeder gewend. Het is alsof hij haar woorden nog eens afspeelt, in zijn gedachten. En nog eens, en weer opnieuw. Bram observeert hem. Wat bedoelt zijn moeder eigenlijk met ‘ga die jongens daar nou niet mee belasten’? En waarom reageerde ze als door een wesp gestoken?
“Hallo?” zegt Bram ten slotte tegen z’n broer, “ben je er weer?”
Steven draait zijn hoofd. “In elk geval”, zegt hij bedachtzaam. “In elk geval ben je heel veel dingen niet, als je christen bent.” “Nou, oké, daar houden we het op”, zegt Bram. “Klaar? Nog meer foto’s, of zoekopdrachten?” Hij probeert de sfeer weer een beetje luchtig te krijgen. Hij klikt zijn mail weg en luistert ondertussen naar Anneloes, die helemaal opgaat in het spel. Steven houdt nog even vol. “Als ik jou was, zou ik daar vragen over stellen. Echt, ik zou zoveel vragen hebben”, zegt hij. “Praten jullie wel, tijdens het autorijden?”
Bram herinnert zich de opmerking van de instructeur. “Meijer heeft in het begin al gezegd dat je gerust een keertje mag meerijden. Ik vind dat op zich ook best. Ik ben al wat relaxter dan eerst. Maar wij houden geen hele gesprekken hoor. Het zijn toch vooral aanwijzingen en losse opmerkingen. Schaken?” “Prima, zet maar op.”
Bram klapt de laptop dicht en legt hem naast zijn stoel. Dan haalt hij een schaakbord en stukken. Rustig plaatst hij de witte en zwarte stukken op de juiste plek. Hij trekt zijn stoel naar voren, totdat hij met zijn knieën tegen de rand van de tafel zit. Steven komt ook dichterbij. “Jij hebt wit”, zegt Bram. “Je hebt het initiatief.”
Stevens rechterhand zweeft boven de rij pionnen. Met de wijsvinger van zijn linkerhand voelt hij waar de rand van het bord zit. Vervolgens schuift hij de pion op E2 twee plaatsen naar voren. Naar E4.
“Goeie wedstrijd”, zegt hij. “Zet ‘m op!”
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 augustus 2025
Daniel | 36 Pagina's