JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Meeleven

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Meeleven

Verhaal

10 minuten leestijd

"Ik ben het toch zo zat op school, 'k zal blij zijn als het vakantie is," verzucht Maud.

Ze krijgt van alle kanten bijval. "Kerstvakantie, ik snak er naar, wij gaan weer lekker op wintersport," zegt Marisca.

Jonneke gaat logeren bij haar kersvers getrouwde zus. Anderen blijven thuis, maar alle meiden zijn hetzelfde van plan: een poosje niet meer aan school denken.

Als ze bijna de fietsenstalling uit zijn, komt Lotty aan hollen, zoals altijd als laatste van de fietsgroep. Terwijl ze snel en handig haar zware tas achterop haar fiets bindt, roept ze over haar schouder: "Weten jullie het eigenlijk al van Irenes moeder?" In de stilte die valt, richt Lotty zich op en voelt zich opeens belangrijk. "Haar moeder is opgegeven. Ongeneeslijk ziek."

Geschrokken kijken de meisjes haar aan. Die enkele woorden missen hun uitwerking niet. Rustiger dan anders rijden ze het schoolplein af. Lotty in het midden, half omgedraaid op haar zadel, vertelt over de ziekte van Irenes moeder.

"Dus daarom was ze niet op school", constateert Ans. Eigenlijk wil niemand toegeven dat ze Irene niet gemist hadden. Wat raar eigenlijk, denkt Maud. Irene is echt een heel onopvallend kind, je ziet haar ongemerkt over het hoofd. Wat zielig voor Irene. Ze denken allemaal aan hun eigen moeder die thuis is, straks. Met thee en belangstelling. Aandacht.

Maud krijgt het er warm van. Vanmorgen is ze boos naar school gegaan. De deur met een knal dicht. Om een heel flauw dingetje, ze weet eigenlijk zelf niet meer waarom. Toch es wat vriendelijker doen voor die lieve schat, neemt ze zich voor.

Als ze na het eten de krant pakt, begint ze aan de achterkant. De overlijdensberichten. Kijk, een melsje van zestien. Dat is maar twee jaar ouder dan zij. Stel je voor dat haar naam in de krant kwam: 'Op de leeftijd van veertien jaar, Magdalena van der Heuvel'! Bah, ze wil die nare gedachten van zich afschudden. Daar denk je toch niet aan als je gezond bent. De moeder van Irene was eerst ook gezond. Totdat die ziekte stilletjes haar leven binnensloop en de gezondheid verjoeg.

"Maud!" roept haar moeder uit de keuken. "Je moet komen helpen, want we krijgen de vaatwasser niet meer aan de praat."

Maud veert overeind. "Is de afwasmachine kapot? Maar dat is een ramp. Hoe kan dat?" Haar moeder veegt een lok uit haar warme gezicht.

"Ik weet het niet. Pa kijkt er wel naar als hij vanavond thuiskomt. Doe jij met Ans nu eerst de vaat, dan leg ik Annemarie op bed."

Maud slikt een paar nijdige woorden in. Lief zijn voor je moeder, da's waar ook. Zelfs als je geen zin hebt in een aanrecht vol vuile vaat.

Ze heeft daar helemaal geen tijd voor. Straks die catechisatie nog, waarvoor ze de vragen niet heeft geleerd. Ze kijkt op haar horloge. Als ze opschiet kan ze er nog wel iets in stampen.

Op de catechisatie ziet ze Irene. Witjes en afgetrokken, zoals altijd. Alle meisjes vermijden het contact met haar. Niemand weet iets te zeggen, ze zijn verlegen met de situatie. Wat moet je zeggen? Maud ziet haar eigen moeder voor zich. Met geen mogelijkheid kan ze zich voorstellen hoe het is als zij geen moeder meer zou hebben.En ineens voelt ze zich boos worden. Waarom moet het zo? Bij zo'n schriel meisje als Irene, dat nooit voor zichzelf weet op te komen, zo'n wankel kind. Als je veertien bent, kun je niet zonder moeder. Boos kan ze erom worden. Waarom laat de Heere dat toe? Straf op de zonde, ze weet het zo goed. Maar is dit niet een beetje... al te zware straf?

Ze luistert met een half oor hoe de dominee het stuk over de erfzonde uitlegt. Het lijkt zo ver van haar af te staan...

Plotseling doorbreekt de zware, ietwat lijzige stem van Ruud de Leeuw de slaperige loomte van onoplettendheid. "Maar als Adam nou zo ongehoorzaam is geweest, moeten wij daar dan ons hele leven de vruchten van plukken?"

Ze spitsen opeens hun oren en schrikken. Het is niet gepast om zomaar door het spreken van de dominee heen te breken. En omdat ze allemaal deze vraag herkennen, flitsen hun blikken onmiddellijk naar het gezicht van de dominee.

De dominee raakt door de vraag niet uit zijn evenwicht, voelt de groeiende belangstelling van de jongelui en beantwoordt daarom meteen de vraag.

"Jaren geleden had ik een jongen in mijn studeerkamer. We spraken over deze dingen. Opeens belde mijn vrouw vanuit de huiskamer, ik moest even naar haar toe. "Kijk rustig rond als je zin hebt", zei ik tegen die jongen, "alleen van dat boek op mijn bureau moet je afblijven, dat is niet geschikt voor jongens zoals jij." Toen ik na tien minuten terugkwam, schoof hij het boek betrapt terug. Hij had de verleiding niet kunnen weerstaan. Ga voor jezelf eens na of je zo'n situatie niet herkent. Koektrommel op tafel en je moeder niet in de buurt...? Ben je niet uit dezelfde lap gescheurd als Adam?" Ruud kijkt de dominee zwijgend aan. "Mee eens?" vraagt deze. "Maar dan nog...," aarzelt de jongen, "kijk, is dat nou niet een beetje al te streng van God? Die gevolgen van die ene daad, daar zitten wij maar mooi mee."

Maud moet even opzij naar het gezicht van Irene kijken. Het meisje zit met neergeslagen ogen, het lijkt of de discussie haar niet aangaat. Ziekte, sterven... de gevolgen van de zonde, het zal maar je moeder zijn!

"Ach nee," zegt de dominee, "de Heere had de mensen de keus gelaten. Hij wilde van harte gediend worden door Zijn kinderen, niet onder dwang, niet slaafs. En Zijn kinderen kozen openlijk voor de duivel en haalden daarmee een inktzwarte duisternis over zich. Adam was tevoren gewaarschuwd en had kunnen weigeren. Weet je wat God had kunnen doen?" Hij laat zijn blikken langs de rij gaan, heel even rustend op dat ene stille meisje, en richt zich dan weer tot Ruud.

"Hij had Adam kunnen verstoten. Voor eeuwig aan zijn lot kunnen overlaten. Dus alles wat God daarna deed, was onverdiende genade. Ook je dagelijkse zegeningen. Leer het eens van die kant bekijken. Wat hebben jullie er vandaag weer van gemaakt? Geen zonde gedaan? Is er geen reden voor de Heere om boos op je te zijn? Tel al je fouten eens op van vandaag en zet daar tegenover de dingen die de Heere je gaf: nachtrust, gezondheid, voedsel, verstand, ouders, een huis om in te wonen."

Maud denkt onwillekeurig terug aan haar rebelse houding van vanmorgen. Reden voor de Heere om boos te zijn. Eert uw vader en uw moeder. Wie tegen een gebod zondigt, overtreedt ze allemaal.

Op het kerkplein ziet ze Irene lopen. Helemaal alleen. De andere meiden van haar groep staan gezellig bij elkaar en hebben alweer lol. Je hoort Minke met haar aanstellerig gelach boven alles uitklinken. Maud ergert zich eraan. Ze ergert zich nog het meest aan zichzelf. Waarom komt ze van alle kanten moed tekort om dat verdrietige meisje even aan te spreken? Gewoon laten merken dat er aan haar gedacht wordt? Dat ze het beroerd voor haar vinden maar niet weten hoe ermee om te gaan?

Ach Irene... ze is de hoek al om. Ze woont niet ver van de kerk. Iemand legt een hand op haar schouder.

"Zeg Maud?"

Ze rukt zich plotseling los en begint te lopen. Ze moet nu wat tegen Irene zeggen, anders durft ze het nooit meer. Ze draaft de hoek om en botst in volle vaart tegen een man op. "Kun je niet uit je ogen kijken?" snauwt hij geschrokken. "Jazeker, of nee, eigenlijk niet," hakkelt Maud verbouwereerd. Uit haar ooghoeken ziet ze Irene de straat oversteken, ze is al bijna thuis. Moet ze nou roepen? Dat staat zo raar...

De volgende morgen komt Irene het biologielokaal binnen als iedereen al op zijn plaats zit.

"Bijna te laat, ga maar gauw zitten," zegt Bakker goedig. Hij weet het vast van Irenes moeder, denkt Maud. Hij kijkt zo meelevend. In de kleine pauze, dan zal ze even naar Irene toegaan, al ziet ze er verschrikkelijk tegenop. Gek dat de andere meiden hun mond ook niet opendoen tegen Irene. Anders weten ze altijd en overal raad op en nu durft niemand de confrontatie aan met een meisje waarvan de moeder zal... Waar leren ze je dat? Wat moet je zeggen en hoe?

Ze durft zich niet te verplaatsen in Irenes situatie. Het is net alsof er dan een deurtje in haar dichtgaat. 'Te erg', staat erop.

Ze loopt door haar afwezigheid en niet gemaakte huiswerk een portie strafwerk op bij de Gans van Frans. Het verbetert haar stemming niet bepaald. Een beetje onvoldaan voelt ze zich de rest van de dag. Er blijft iets aan haar knagen.

Eindelijk komt het ogenblik dat ze Irene durft aan te spreken. Ze lopen aan het einde van de schooldag samen door de gang.

"Fiets je alleen?" vraagt Maud zo gewoon mogelijk. Een snelle onderzoekende blik is het antwoord. Maud ziet dat ze haar schouders ophaalt. "Kunnen we samen...?" "Goed," stemt Irene toe. Terwijl ze achter de groep aanrijden, de meiden keken behoorlijk nieuwsgierig naar Maud en Irene maar niemand zei er iets van, bedenkt Maud hoe ze moet beginnen. Ze werpt een voorzichtige blik op het gesloten gezicht naast haar. Ze hebben een rit van een half uur voor de boeg. Hoe komt ze het door? Opeens zegt Irene: "Morgen kom ik niet op school, kan ik wiskunde van je overschrijven?"

"Mij best. Ga je weg?" Even blijft het stil. Dan kijkt ze in een paar verdrietige ogen. "Je weet het van mijn moeder?" Maud knikt.

"Morgen gaat ze naar het ziekenhuis, ik mag voor mijn broertjes zorgen."

Nu moet ik wat aardigs zeggen, gaat het door Maud heen. Of iets vragen. Er zit een prop watten in haar keel en haar mond is te droog om te slikken. Wat moeilijk.

"Hoe gaat het met haar?" Het is er uit, een weifelende geladen vraag. Irene vertelt met vlakke stem over de ziekte van haar moeder. Ze praat en praat maar en Maud hoeft alleen maar te luisteren. En het luisteren gaat vanzelf, hoe meer en sneller het meisje naast haar de ellende van zich afpraat, hoe geboeider Maud luistert. Moeiteloos kan ze zich nu het verdriet van Irene indenken, meevoelen. Als het stil is naast haar, zijn ze bijna thuis, De fietstocht is nog nooit zo kort geweest. Ze stelt schuchter de vraag die haar bezig houdt.

"Ben je niet boos op...?" Irene begrijpt meteen wat ze bedoelt. "Soms. Maar moeder heeft God zo lief en als je haar hoort praten, verandert je boosheid vanzelf in stil zijn. Mijn moeder kan op een manier over de Heere praten, dat je vragen smelten. Je houdt het gevoel over van: wat de Heere doet, kan niet verkeerd zijn. Haar geloof maakt je klein." Ze rijden het dorp binnen. Ineens is er een smalle hand op haar mouw.

"Bedankt dat je, nou ja, ik vond het fijn dat je met me wilde fietsen." Maud krijgt een kleur. "Vanaf nu ben ik er voor jou!" zegt ze spontaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 2000

Daniel | 35 Pagina's

Meeleven

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 2000

Daniel | 35 Pagina's