JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Wat eeuwig zeker is

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wat eeuwig zeker is

10 minuten leestijd

Bij al de wisselingen in het wereldgebeuren is er iets dat blijft, onwrikbaar vast, zonder te wankelen. Schier alle zekerheden zijn afgerukt van het fondament, waarop wij ze veilig achtten. De economische verhoudingen tusschen de volken onderling staan aan groote veranderingen bloot, en de staatkundige grenzen, wie zal die op 't oogenblik vaststellen? Wat is de waardij van het geld in 't oog der menschen geworden? Voorheen was men „iets" wanneer men geld had. „Geld is macht" was de leus. Nu is de situatie anders geworden. We hooren nu de uitspraak: „Beter een goed gevulde maag en goed gekleed dan een buidel vol geld. Van geld kunnen we niet eten en met bankbiljetten kunnen we ons niet kleeden." *)

Zoo staat alles op het punt om radicaal gewijzigd te worden en is reeds bezig zich te wijzigen. Doch wat ook verandere; welke nieuwe inzichten ook baan breken, één ding blijft zooals het was en het zal blijven tot in der eeuwigheid toe.

We bedoelen het onveranderlijke Woord van God. Het Woord, dat de levende God, Die hemel en aarde gemaakt heeft, tot de heele wereld spreekt, wordt nog gehoord. Dwars door de schrikkelijke wereldweeën heen, klinkt de klare sprake van den Almachtige: „Ik, de Heere, worde niet veranderd. Bij Mij is geen schaduw van ommekeer!"

Van dat Woord heeft Luther gezongen:

„Gods Woord houdt stand in eeuwigheid En zal geen duimbreed wijken!"

Dit Woord geschiedt tot iedereen, tot edelen en geringen, tot mannen, vrouwen en kinderen. Het gaat door gansch de wereld. Het verkondigt ons den vollen Raad Gods. Het verheven Godsplan wordt voor ons ontvouwd.

Beseffen we wel goed wat ons nog is gebleven bij alles wat ontviel?

Wat zouden we weten van het heilig Evangelie zonder het geopenbaarde Woord?

Ik weet wel: ook door middel van de natuur spreekt God tot ons.

„De groote lichten, die in 't luchtruim branden, Verkondigen Gods eer, De heem'len roemen 't werk van Zijne handen, Met keer en tegenkeer. De eene dag brengt aan den ander sprake, De nacht zal aan den nacht, De wijsheid Zijner wegen kenbaar maken, In 't werk door Hem volbracht."

(Jac. v. d. Waals).

Onze Belijdenis spreekt ervan, dat we God door twee middelen kennen. Ten eerste, door de schepping, onderhouding en regeering der geheele wereld: overmits deze voor onze oogen is als een schoon boek, in hetwelk alle schepselen, groote en kleine, gelijk als letteren zijn die ons de onzienlijke dingen Gods geven te aanschouwen, namelijk Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid. (Art. 2 N.G.B.).

Deze kennis heeft wel ten doel de menschen te overtuigen en vervolgens hun alle onschuld of verontschuldiging te benemen zooals Paulus spreekt: „Want Zijn onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan, uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn," maar deze kennis Gods uit de natuur is niet genoegzaam om den weg der zaligheid te vinden. Zij leert ons immers niets van den Christus, Die de eenige Weg is om met God verzoend te worden. Bovendien is de natuur in geestelijke zaken blind en niet vatbaar voor hemelsche verborgenheden. De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn, want zij zijn hem een dwaasheid. Ten slotte noemt Paulus de blinde heidenen, die de Goddelijke openbaring van den weg der zaligheid misten: „vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende en zonder God in de wereld." (Efeze 2: 12).

Slechts de Heilige Schrift is de openbaring van God, waarin Hij aantoont wie en wat Hij is en wat ons van noode is in dit leven tot Gods eer en onze zaligheid.

In den tijd toen de Schriftuur er nog niet was, openbaarde de Heere Zich op velerlei wijze (Hebr. 1: 1), o.a. door gezichten en droomen; door den dienst der Engelen; door het werpen van het lot; door den Urim en Thummim en ook door Goddelijke aanspraken.

Voor ons echter bestaat er geen andere openbaring dan die gegeven is door middel van de Heilige Schrift.

„De allergrootste weldaad, die de Vader der Lichten, van wien alle goede gift en alle volmaakte gave van boven afkomt, den armen stervelingen heeft bewezen, is deze: dat hij hen, benevens Zijn Zoon, ook Zijn dierbaar Woord geschonken heeft." (UIrich).

De grootste gift, het zenden van Zijn eeniggeboren Zoon, zou ons weinig of niet kunnen helpen zonder de gift van het Woord. De Heere Jezus zou, zonder de Heilige Schrift, voor ons een onbekende God zijn; een Schat in den akker, die verborgen zou blijven. Zonder den troost van dit Woord zouden we in onzen druk moeten vergaan; zonder dit Licht zouden we kinderen der duisternis zijn gebleven.

Uit dit Woord worden we overtuigd van onze diepe ellende, maar leeren we ook uitzien naar de verlossing, die in Christus Jezus is, opdat de Drieëenige God geloofd en geprezen zou worden.

Geen wonder, dat David uitroept (Ps. 19): „De rechten des Heeren zijn waarheid, tezamen zijn zij rechtvaardig; zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud, en zoeter dan honig en honigzeem."

En hoort ook Jeremia (Jer. 15): „Als uwe woorden gevonden zijn, zoo heb ik ze opgegeten, en uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten."

Zelfs zijn de Engelen begeerig om die dingen in te zien (1 Petr. 1).

Wat past het ons om van dat Woord kennis te nemen! We zijn dit verplicht, omdat het het Woord is van onzen Schepper. Terwille van ons zieleheil zijn we het verplicht aan onszelf. De Wet des Heeren vraagt van ons liefde tot God en liefde tot onze naasten. Krachtens deze Wet is dus ook het naarstig onderzoeken van de Heilige Schrift een moèten, een verplichting, opdat de liefde tot den Auteur van Gods openbaring tot uiting kome.

Welk verschil is er tusschen het heilig Boek der boeken en alle andere menschelijke geschriften. Het zeggen van Alstedius was: „Non est Liber, nisi Scriptura", d.i. „Daar is geen Boek in de wereld dan de Heilige Schrift."

En de groote Hervormer Calvijn schrijft in zijn Institutie: „Lees Demosthenes of Cicero, lees Plato, Aristoteles, of andere schrijvers, die ge wilt, van dat soort, zij zullen u, ik bekenne het, op een verwonderlijke wijze uitlokken, vermaken, bewegen en verrukken. Maar ga van daar dan eens over tot de lezing der Heilige Schrift, dan zal u dezelve, willens of onwillens, zoo levendig aandoen, zoo krachtig tot uw hart doordringen, en het binnenste van uw ziel zoo ganschelijk innemen, dat voor de kracht van den zin der Heilige Schrift, al dat wonderlijke en verlokkende en vermakende en bewegende en verrukkende der heidensche Redenaars en Wijsgeeren bijkans geheel zal verdwijnen, en het u gemakkelijk zal zijn te bekennen, dat ja waarlijk de Heilige Schrift iets dat Goddelijk is uitademt en smaakt, terwijl zij al de gaven en aantrekkelijkheden der menschelijke wijsheid en aardsche geleerdheid oneindig te boven gaat." (Inst. 1-8-1).

Om het Woord van God met vrucht te lezen, zal men zich dus moeten overtuigen van de Goddelijkheid der Schrift. Het is God Zelf, Die ons aanspreekt, Die niet liegen kan. Het is de volle Waarheid, die we voor ons hebben.

Voorts dienen we wel in acht te nemen, dat het lezen der Schrift niet met een verkeerd oogmerk moet geschieden. Men moet maar niet lezen om te lezen of om gelezen te hebben. Het is een goede gewoonte, die bij velen nog in gebruik is, om na den maaltijd een gedeelte uit Gods Woord te lezen. Maar voelt men zich voldaan omdat men toch gelezen heeft, dan is dit doel verwerpelijk. Men zou een huisgezin als heidens betitelen, wanneer er nooit uit den Bijbel werd gelezen en terecht, maar als ons Bijbellezen slechts vórm is, omdat het nu eenmaal zoo hoort, en we van jongsaf niet anders hebben gekend, is ons dóel met dit lezen dan zoo verheven?

Verkeerd is het ook Gods Woord te lezen uit louter nieuwsgierigheid, tot tijdverdrijf of tot het bekomen van louter Schriftgeleerdheid om er over mee te kunnen praten en te redetwisten en zich boven anderen te verheffen. „De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde sticht", zegt de Apostel. „En zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen."

Luther zegt: „Al wie zich oefenen wil in de Heilige Schrift, die boete zijn nieuwsgierigheid en zijn lust niet aan de Heilige Schrift, maar neme voor zich Homerus, Ovidius, Virgilius of een anderen dichter, en beproeve daarin zijn kunst: Niemand plompe hier in de Heilige Schrift, tenzij hij eerst de voeten gewasschen hebbe."

Wat is dan wel het goede oogmerk bij het lezen van van Gods Woord?

Het rechte doel is het doel waartoe God den Bijbel heeft gegeven. Duidelijk is dit op vele plaatsen te vinden:

Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het, die van Mij getuigen.

Maar deze zijn geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij gelovende het leven hebt in Zijnen Naam.

En deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.

En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof hetwelk in Christus Jezus is.

Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; opdat de mensch Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust.

De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziel; de getuigenis des Heeren is gewis, den eenvoudige wijsheid gevende.

De bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de oogen.

Uit uwe bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.

Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht voor mijn pad.

Uit deze Schriftuurplaatsen blijkt het ware oogmerk des Heeren. Wil ons doel bij het lezen van de Schrift met het doel van God overeenkomen, dan moet dus ons oogmerk zijn om verstandig en wijs te worden (in geestelijken zin) om God in Christus Jezus, die het Beeld van God is, en in Welken alle de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn, te leeren kennen, om daarna hoe langer en levendiger in den Naam van den Heere Jezus te leeren gelooven, opdat die eenige Zaligmaker dagelijks dierbaarder zou worden.

Wanneer dit plaats vindt, zal zoo'n Bijbellezer door het Woord ook aangezet worden om welbehagelijk voor den Heere te wandelen, alle valsche pad te leeren haten en vromelijk te mogen strijden tegen den duivel, de wereld en het verdorven vleesch.

Dan zal ook in alle kruis en verdrukking Gods Woord zijn tot rijke troost: het zal aanzetten tot lijdzaamheid en geduld in het kommervolle leven.

Vervolgens zullen we bij het lezen van de Heilige Schrift eerbied en aandacht moeten betoonen en met een hartelijken lust en begeerte zijn aangedaan.

Daar komt nog bij dat we de lezing van Gods Woord niet zonder gebed moeten beginnen. Hieronymus heeft eens gezegd: „Laat op het bidden het lezen en op het lezen het bidden weer volgen."

Gelijk wij gewoon zijn, eer we lichamelijke spijs gebruiken, eerst te bidden, zoo zal het zeker passen om eerst te bidden, voordat we geestelijk voedsel gebruiken.


*) Reeds geschreven tijdens de bezetting.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1947

Daniel | 10 Pagina's

Wat eeuwig zeker is

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 januari 1947

Daniel | 10 Pagina's